ONbekend maakt ONbemind, hoe zit dat met ONkruid?

– Klik op een afbeelding voor een vergroting –

Het lot van elke tuinder: het gevecht tegen de bierkaai. In wat minder verhullend proza: de eeuwigdurende strijd tegen onkruiden. En het is een eeuwigdurende strijd, want zoals elke tuinder weet is de strijd verloren op het moment dat die gestaakt wordt. We hebben dan ook te maken met een ongelooflijk taaie tegenstander met een veel langere adem dan elk van ons: Moeder Natuur.

Zevenblad, een van de meest verguisde onkruiden

Reigersbek, bewoner van arme grond

Wij zien onszelf niet graag als onderdeel van de natuur en zien liever dat we de natuur onze wil opleggen. En tot op zekere hoogte lukt dat ook wel. Voor zolang en voor zover we ons ermee blijven bemoeien tenminste. Want wanneer we onze aandacht elders richten, dan “neemt de natuur haar loop” weer. Cultuurland is bij definitie onnatuurlijk, en dat houdt dan ook in dat, zodra de menselijke bemoeienis wordt gestaakt, het binnen de kortst mogelijke tijd weer naar natuurlijke ruigte wordt herschapen. Moeder natuur zal altijd het laatste woord hebben. Niet dat dat ons mensen ervan weerhoudt om er tot onze laatste adem tegenin te willen gaan.

Madeliefjes houden van licht zure grond

Kennis is macht

Maar dit stukje gaat niet over het eindeloze karakter van tegen de natuur in willen werken, maar over hoe we onkruiden kunnen gebruiken om ons informatie te verschaffen hoe we meer met de natuur mee kunnen werken, of zelfs de natuur voor ons kunnen laten werken. Een groot deel van de oplossing van een probleem ligt in het kennen van de oorzaak, en voor zover het tuinieren betreft praten we hier vooral over problemen betreffende de bodem en soms het lokale microklimaat. Dus laten we eens zien in hoeverre onkruiden ons aanwijzingen kunnen geven om de oorzaak van een probleem te kunnen vinden.

Aardappelopslag in een maïsveld

Simpel gesteld is een onkruid een plant die groeit op een plek waar wij dat niet willen. De opslag van de aardappels van vorig jaar waar we toen zo ons best voor deden, vormen nu een ongewenst gewas. Kiemend tomatenzaad in de compost die kennelijk toch niet heet genoeg is geweest geeft tomatenplantjes op allerlei plekken waar we ze niet willen. Maar doorgaans hebben we het bij onkruid niet over cultuurgewas dat we zelf in de tuin hebben gebracht. We hebben het over planten die hier oorspronkelijk, voordat wij de grond tot “tuin” verklaarden, al groeiden en nog steeds willen groeien. Oftewel: planten die een onderdeel van de flora, de natuurlijke begroeiing uitmaken. En we hebben er een hekel aan omdat die planten uiteraard in de loop der millennia veel beter aangepast zijn geworden aan de omstandigheden op onze “tuin” dan de planten die wij er willen laten groeien. En daarmee is de haat-liefde verhouding van de tuinder met de natuur gelijk op scherp gezet.

De ene methode is de andere niet

Er zijn diverse methoden om onkruid tegen te gaan of in te tomen. “Bestrijden” vind ik over het algemeen de verkeerde instelling weergeven, vooral wanneer bij voorbaat toch al bekend is dat je die strijd alleen maar kunt verliezen.
De ene methode is succesvoller dan de andere, maar de beste aanpak is doorgaans je eerst af te vragen waarom die specifieke plant nou net daar groeit (waar jij hem niet wilt hebben) en niet op andere plekken, zoals bij de buren – waar de omstandigheden toch zo goed als gelijk zijn, of lijken te zijn – of op plaatsen waar het jou niet zou uitmaken.

Bijvoet houdt van kalium

Alles in de natuur heeft een functie, alleen kennen wij als tuinders die vaak (nog) niet. Onkruiden zijn de bodemherstellers bij uitstek. Ze vullen tekorten aan of voeren overschotten af. Zo zijn de bladeren van diepwortelende soorten zoals heermoes, zuring, smeerwortel, distels en brandnetels rijk aan mineralen. Zolang ze nog geen zaad hebben gevormd, kan je ze in stukken of als hele plant gebruiken om ter plekke te mulchen of om de composthoop te verrijken. Ze geven aan met wat voor soort bodemgesteldheid en -samenstelling je van doen hebt en ze kunnen planten in hun directe omgeving ondersteunen. De activiteit van bodembacteriën, -schimmels en andere organismen wordt erdoor gestimuleerd.

Smeerwortelblad bevat kalium

Veel onkruiden hebben een geneeskrachtige werking, of kunnen gegeten worden, of zijn waardplanten of overwinteringsplanten voor bepaalde insecten. En als die insecten natuurlijke vijanden zijn van wat wij als plaaginsecten ervaren op onze gewassen, dan kan het dus wel zo handig zijn om niet rücksichtlos elk onkruid uit de grond te trekken.

De gaasvlieg, een bladluisjager bij uitstek

Een rommelhoekje in de tuin wat niet brandschoon wordt gehouden of een rand langs de achterkant die wat mag verwilderen kan een hoop voordeel opleveren in de vorm van natuurlijke bestrijding. Een ander aspect is dat veel plaaginsecten bepaalde onkruiden verkiezen boven cultuurgewassen. Maar op een tuin die constant geheel onkruidvrij wordt gehouden valt natuurlijk weinig te kiezen…

Brandnetel groeit op stikstofrijke bodem en bevat zelf ook veel stikstof

Bepaalde soorten natuurlijke vijanden hebben een specifieke voorkeur voor bepaalde onkruiden. Zo is uit onderzoek gebleken dat bijvoet, brandnetel en paardebloem die aanwezig waren in velden met koolrabi de drie belangrijkste soorten lieveheersbeestjes aantrokken, waardoor hun aantallen belangrijk hoger waren dan in “geschoonde” velden en zo de aantallen luizen in de koolrabi goed onderdrukt werden.

Dan hebben we nog de variant waarbij onkruiden pollen of nectar leveren als brandstofvoorziening voor bestuivers en voor natuurlijke vijanden. Een fenomeen wat bekend is van akkerdistel, akkermelkdistel, akkerkers, herderstasje, knopkruid, paarse dovenetel, vogelmuur, korenbloem en duizendblad.

En tot slot worden zaden van onkruiden ook vaak gegeten door natuurlijke vijanden zoals bepaalde soorten loopkevers en insectenetende vogels.

Een vogelvriendelijke moestuin kent weinig insectenplagen

Doorgaans is het zo dat specifieke soorten groeien onder specifieke omstandigheden, met voldoende van het juiste voedsel, en leefbare condities qua bodemgesteldheid, vocht e.d. Omdat die omstandigheden enorm kunnen varieëren, zijn er ook ontzettend veel verschillende soorten onkruiden ontstaan; elk voor diens eigen specifieke plekje.

Akkerdistel, indicator voor stikstofrijke dichtgeslagen grond

Dus wanneer je eenmaal die omstandigheden kent en weet waarom die plant daar groeit, kan je kijken of je de omstandigheden zodanig kunt veranderen dat die plant daar niet meer wil groeien. De kunst is dan natuurlijk om het zo te doen dat het betreffende onkruid niet terugkeert, terwijl de door ons gekozen gewassen het juist reuze naar de zin hebben.

Indicatorplanten

Akkermelkdistel levert pollen voor natuurlijke vijanden

Een indicatorplant is (volgens Wikipedia) “in de vegetatiekunde een indicatorsoort (of groep soorten) die indicatief is voor bepaalde milieufactoren. Door het beschrijven van de eigenschappen van de soort kunnen uitspraken worden gedaan over uiteenlopende invloeden of veranderingen. Soms kan men informatie afleiden uit bepaalde eigenschappen van de soort, maar meestal betreft het de aanwezige aantallen binnen een gebied of juist afwezigheid van de soort.”

Wat min of meer betekent dat het voorkomen van een bepaalde plant op een bepaalde plek, dingen zegt over die plek.

Anders gesteld: wanneer bepaalde planten alleen voorkomen onder bepaalde omstandigheden, dan is de aanwezigheid van die planten een aanwijzing voor het ter plekke voorkomen van die omstandigheden. En dat is precies waar wij als tuinders gebruik van kunnen maken. Want wanneer je weet waarom die plant daar groeit, kan je daar wellicht wat aan doen, weet je nog?

Stikstofknolletjes op wortels van een vlinderbloemige

Wij als tuinders weten dat planten die tot de vlinderbloemigen behoren (onze bonen en erwtjes, maar bijv. ook de klavers, lupines, wikkesoorten en bremsoorten) de mogelijkheid hebben om atmosferische stikstof op te nemen en vast te leggen in wortelknolletjes. Iets waarvan gebruik wordt gemaakt door bepaalde soorten als “groenbemester” te zaaien, waarbij het gewas stikstof uit de lucht opslaat in de bodem (in die wortelknolletjes). Door het gewas af te maaien en naar de composthoop te brengen, of ter plekke te laten liggen als mulch, blijven die knolletjes achter en komt bij de afbraak ervan de stikstof ter beschikking van de gewassen die we erna planten. Dat afmaaien dient dan wel te gebeuren vóór of uiterlijk wanneer het gewas bloeit, want zodra de planten bezig gaan met vruchtzetting, gaan ze de opgeslagen stikstof daarvoor gebruiken.

N.B.: Er wordt nog steeds veel beweerd dat je een groenbemester dient onder te spitten, maar los van het feit dat spitten voornamelijk schade toebrengt aan de bodem; voor de vertering van al die ondergespitte biomassa is veel stikstof nodig. En raadt eens waar dat vandaan zal komen?

Herderstasje houdt van stikstofrijke, vruchtbare grond

Observeren is heel belangrijk voor een tuinder. En niet alleen letten op het weer om in te schatten wanneer te zaaien, planten en oogsten. Een beetje oplettend door je tuin gaan kan je veel leren over de lokale (groei)omstandigheden. Zo kan het je opvallen dat waar de eerder genoemde klavers welig tieren, de brandnetel zich niet laat zien. Andersom trouwens ook. En dat komt doordat brandnetel graag groeit op grond met veel vrije stikstof. Aangezien bij Moeder Natuur alles een functie heeft en spilzucht niet in haar woordenboek voorkomt zal ze geen vlinderbloemigen laten groeien op plekken waar al veel stikstof beschikbaar is. Waaruit je kunt afleiden dat brandnetels het niet goed zullen doen wanneer de stikstof afneemt (door bijv. te stoppen met altijd in dat hoekje van de tuin te urineren), net zo goed als klavers er de brui aan geven wanneer het stikstofgehalte teveel toeneemt.

Paarse dovenetel duidt op goede bodemstructuur

Ik heb in Voedt de bodem, niet de planten al geschreven dat heermoes (akkerpaardestaart) een indicator is voor mineraalarme bodems, en zo zijn er nog veel meer onkruiden die als indicator voor min-of-meer specifieke omstandigheden kunnen dienen. Uiteraard is het aanwezig zijn van een enkele plant van een soort geen duidelijke indicatie, en zelfs het voorkomen van een paar planten van een soort zegt niet alles. Maar wanneer verschillende soorten voorkomen die allemaal dezelfde behoeften en voorkeuren hebben, dan is dat wel een goede indicatie. Dus welke soorten geven wat aan?

Vogelmuur, ook een stikstofliefhebber

Indicators voor stikstofarme grond

 

klaversoorten (Trifolium spp.)      Witte klaver ⇒

wikkesoorten (Vicia spp.)

(ruig) schapengras (Festuca ovina)

muizenoor (Hieracium pilosella, syn. Pilosella officinarum)

gewoon reukgras – toffeegras (Anthoxanthum odoratum)

Indicators voor grond met stikstof

klaprozen (Papaver spp.)

echte kamille (Matricaria chamomilla)

Indicators voor stikstofrijke grond

brandnetels (Urtica spp.)

ereprijssoorten (Veronica spp.)

herderstasje (Capsella bursa-pastoris)

vogelmuur (Stellaria media)

paardenbloem (Taraxacum officinale)

akkerdistel (Cirsium arvense)

kroontjeskruid (Euphorbia helioscopia)

zevenblad (Aegopodium podagraria)

Indicators voor zeer stikstofrijke grond

klein kruiskruid (Senecio vulgaris)

zwarte nachtschade (Solanum nigrum)

kleefkruid (Galium aparine)

rode ganzevoet (Chenopodium rubrum)

klein kaasjeskruid (Malva neglecta)

Indicators voor kaliumrijke grond

bijvoet (Artemisia vulgaris)

wilde averuit (Artemisia campestris)

slaapbol (Papaver somniferum)

rode klaver (Trifolium pratense)

gewone duivenkervel (Fumaria officinalis)

Indicators voor arme grond

reigersbek (Erodium cicutairum)

klaproos (Papaver spp.)

veldzuring (Rumex acetosa)

perzikkruid (Persicaria maculosa)

Indicators voor slechte bodemstructuur

akkerwinde (Convolvulus arvensis)

kweek(gras) (Elytrigia repens, syn. Agropyron repens)

varkensgras (Polygonum aviculare)

Indicators voor rijke (vruchtbare) grond

gewone berenkaluw (Heracleum sphondylium)

brandnetels (Urtica spp.)

melganzenvoet (Chenopodium album)

herderstasje (Capsella bursa-pastoris)

fluitekruid (Anthriscus sylvestris)

paardenbloem (Taraxacum officinale)

Indicators voor goede bodemstructuur

kleine brandnetel (Urtica urens)

paarse dovenetel (Lamium purpureum)

Indicators voor dichtgeslagen grond

zilverschoon (Potentilla anserina)

kruipende boterbloem (Ranunculus repens)

grote weegbree (Plantago major)

ridderzuring (Rumex obtusifolius)

akkerdistel (Cirsium arvense)

Indicators voor licht zure grond

veldzuring (Rumex acetosa)

madeliefjes (Bellis perennis)

viooltjes (Viola spp.)

klaprozen (Papaver spp.)

varkensgras (Polygonum aviculare)

paardestaarten (Equisetum spp.)

Indicators voor zeer zure grond

vijfvingerkruid (Potentilla reptans)

havikskruid (Hieracium aurantiacum)

paardestaarten (Equisetum spp.)

knoopkruid (Centaurea jacea)

grote centaurie (Centaurea scabiosa)

korenbloem (Centaurea cyanus)

Muizenoor houdt niet van stikstof …

Voor wie zich afvraagt hoe de grote en de kleine brandnetel uit elkaar te houden: de kleine wordt ca. een halve meter hoog, terwijl de grote de twee meter wel kan halen. Vaak is de kleine lichter groen van kleur en de grote brandnetel vormt hele groepen planten d.m.v. ondergrondse uitlopers, zodat je als je aan één stengel begint te trekken, er vaak een hele groep mee uit de grond trekt, terwijl de kleine een penwortel ontwikkelt waarop individuele planten staan.

Meer dan 1 omstandigheid

… wikke juist weer wel

Uiteraard is bovenstaande opsomming sterk versimpeld en verre van volledig. Bovendien is het niet zo dat onkruiden maar 1 enkele factor aangeven. Met andere woorden; een soort die van stikstofrijke grond houdt, wil misschien ook vochtige, dichtgeslagen en zure grond en een vrije standplaats (veel zon/wind). Of juist een bodem die humusrijk, tamelijk neutraal en tamelijk beschut (halfschaduw/luw) is. Waardoor je op sommige plekken combinaties van onkruiden tegenkomt die je elders weer niet aantreft, afhankelijk van aan welke behoeften ter plekke wordt voldaan. Daarom moet je nooit van de aanwezigheid van 1 soort uitgaan om definitieve conclusies te trekken; het zijn de combinaties die veelzeggend zijn.

Akkerwinde, een indicator voor slechte bodemstructuur

De beste manier om iets over de plaatselijke bodemgesteldheid en groeiomstandigheden te leren aan de hand van onkruiden is foto’s te maken van de soorten die bij jou veel voorkomen en aan de hand van een gedrukte of online flora (zoals http://www.floravannederland.nl/home/ en https://wilde-planten.nl/index.html ) te determineren welke soorten dat zijn. Die flora geeft dan de informatie over voedsel-, licht- en vochtbehoefte, bodemvoorkeur, groeiwijze etc.

Vijfvingerkruid wil zeer zure grond en de bloem lijkt wat op boterbloem

Op die manier kan je a.h.w. in kaart brengen hoe de verschillende delen van je tuin er qua bodem en microklimaat aan toe zijn.

En hoe pas je die informatie nou zinvol toe op je tuin en je teelten? Nou, wanneer je een plek hebt waar volop brandnetel, zevenblad en vogelmuur groeien is het dus niet zo’n goed idee om eens flink te gaan bemesten. Aan de andere kant zou dat op een plek waar veel klaver en schapengras groeien wellicht geen slecht idee zijn.

Kruipende boterbloem heeft blad dat wel weer wat op selder of peterselie lijkt en houdt van dichtgeslagen grond

Wil je blauwe bessen planten (die om zure grond vragen) en je hebt een geschikte hoek in je tuin waar volop schapenzuring (Rumex acetosella), viooltjes en klaproos groeien, dan mag je ervan uitgaan dat de grond daarvoor geschikt is.

net als grote weegbree

Volop havikskruid, knoopkruid en paardestaarten in je tuin en je wilt ervan af? Misschien eens een beetje kalk strooien om de bodem wat minder zuur te maken en kijken wat het effect is.

Dus kijk eens met andere ogen naar onkruid. Wanneer je beseft wat het je kan vertellen en je maakt er passend gebruik van dan kan het je niet alleen helpen beter te tuinieren, het kan je tegelijkertijd een boel frustratie schelen.

⇐ Paardenbloemen maken de grond diep los, zijn indicatief voor een stikstofrijke, vruchtbare bodem en leveren pollen (brandstof!) voor bestuivers en veel natuurlijke vijanden. Toch zien de meeste tuinders ze liever gaan dan komen

Bronnen:

Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina

Flora van Nederland http://www.floravannederland.nl/home/

Inheemse en ingeburgerde plantensoorten in
Nederland en België https://wilde-planten.nl/index.html

‘t-Over-leven http://toverleven.cultu.be/indicatorplanten

Plants as soil indicators – Weeds and what they tell you – E.E. Pfeiffer, G. Sovoll 1993

Een andere kijk op onkruid – interacties tussen onkruidbeheer, onkruid, plagen en natuurlijke vijanden – K. Booi, R. v.d. Weide, Plant research international BV, Wageningen & Praktijkonderzoek plant en omgeving BV, Lelystad, 2005

Artikel – Jan Altink