Composteren: waarom, waarmee en hoe. En: hoe niet!

– Klik op een afbeelding voor een vergroting (indien beschikbaar). –

Composteren is niet moeilijk. En toch hebben veel mensen er problemen mee. Bij de meeste tuinders is er ergens wel een verloren hoekje te vinden waar al dan niet een soort bak is geknutseld en waar eindeloos al het “vuil” van de tuin op een hoop wordt gegooid, om daar dan geheel vanzelf in compost te veranderen. Voor iedereen die deze werkwijze volgt: dit levert geen compost op, al vergaat uiteindelijk het merendeel van de materialen wel en ontstaat er een min of meer aarde-achtig product. Maar wat er overblijft bevat nog maar weinig voedingsstoffen. Het draagt wel bij aan het humuscomplex in de bodem, het is dan meer een structuurverbeteraar.

Composteren is een soort kruisbestuiving van kunst en wetenschap, want het vraagt naast kennis toch ook om een zekere mate van kunnen aanvoelen en inschatten. Er zijn geen duidelijk omlijnde regels, alleen werkingsprincipes, en die zijn vaak weer afhankelijk van omstandigheden: hoe is het weer, wat is het beschikbare materiaal, hoe groot is de hoop, hoeveel tijd wordt eraan besteed, etc. Dat maakt het zowel makkelijker als moeilijker.

We gaan het hier hebben over het laten verteren van organisch materiaal onder aanwezigheid van zuurstof (aeroob) en onder betrekkelijk beheerste omstandigheden, waarbij aandacht is gegeven aan de samenstelling van de hoop. Kortom: compost maken, de fijne kneepjes, en de grove.

Inhoudsopgave:
Waarom (niet) composteren
Wat is compost?
Twee manieren
De minimale afmetingen
Locatie en uitvoering
Zorg voor goede bereikbaarheid
Drie bakken of vier
Vochtbeheersing
Hou de zaak luchtig
Beweging in de hoop houden
Wat er wel in kan
De voorwaarden
Wat er niet in kan
Wachthopen
Let op de grootte van de ingrediënten
Afwisseling en vochtgehalte
Kickstarten met zelfgemaakte compostversneller
Verrijk de mix
Mest- en compostsoorten vergeleken
Is een “hete hoop” noodzakelijk?
Onkruidzaad en ziekten en plagen
Omzettingsprocessen
Groen en bruin, oftewel de koolstof-stikstof verhouding (C-N)
Wat gebeurt er bij een C-N ratio van minder dan 25 á 30
Wat gebeurt er bij een C-N ratio van meer dan 25 á 30
Stoppen met toevoegen
De 4 fasen van het composteringsproces – uitgebreid
Op hoop van leven
De 4 fasen van het composteringsproces – samengevat
Wanneer tijd geven voor de afrijpingsfase (fase 4)
Problemen, oorzaken en oplossingen
Voordelen van composteren en compostgebruik
Nadelen van composteren en compostgebruik
Kwaliteiten
Tenslotte

Waarom (niet) composteren?
Laten we maar met “waarom niet?” beginnen: composteren kost plaats op je tuin en tijd, en afhankelijk van hoe je het doet kan het geld kosten en (veel) moeite.
Maar uiteindelijk, wanneer je het goed doet, gaat het je ook weer veel tijd, geld en moeite besparen. Dus het kost je in elk geval ruimte. Gaan we verder met “waarom wel?”.

Een bodem met veel organisch materiaal en een hoog humusgehalte is een absolute vereiste voor een gezonde en groeikrachtige natuurlijke moestuin. Dit geeft een rijk bodemleven en een goede vochtbeheersing. Dus hoe verkrijgen we zo’n bodem, en hoe houden we hem in stand?

In de natuur verloopt alles via gesloten kringlopen. Er bestaat geen afval, alles wat sterft is weer voedsel voor wat anders (en vaak zelfs al voor het sterft). Uiteindelijk wordt alles afgebroken tot de afzonderlijke bouwstenen waaruit het is opgebouwd en waaruit weer een nieuwe kringloop kan worden opgestart. Composteren is een manier om ons tuin”afval” zodanig te verwerken dat het weer kan worden opgenomen in de natuurlijke kringloop, te beginnen bij de bodem, waar het kan helpen de bodem te verbeteren en onze planten te helpen groeien.

Zouden we niet composteren, dan zouden we de bodem van onze tuin langzaam maar zeker uitputten, de structuur verarmen en de deur openzetten voor lagere weerstand bij onze planten, waarvan gebreksziekten en plagen het onafwendbare gevolg zullen zijn.

De bodem is het belangrijkste onderdeel in de tuin en tuiniers zouden er goed aan doen te beseffen dat het in optimale staat houden van die bodem hun grootste prioriteit zou moeten zijn. Wanneer de bodem naar behoren functioneert zal alles wat daaruit voortkomt dat ook doen of toch op zijn minst een stuk minder problemen kennen dan met een slecht functionerende bodem.

Wat is compost?
Laten we beginnen met een vaststelling van waar we het over hebben. Wikipedia vertelt ons het volgende:

Compost is een donkerbruin tot zwart, kruimelig product dat bestaat uit plantaardige resten zoals selectief ingezamelde groenten, fruitschillen, grasmaaisel, bladeren en snoeihout die door micro-organismen bijna tot humus zijn afgebroken. Compost bevat veel organische stof en verbetert de bodemstructuur doordat voeding en organisch materiaal wordt toegevoegd. Compost wordt gebruikt in de land- en tuinbouw door vermenging met, of bestrooiing van, de bovenlaag van de bodem.

Let op het “…bijna tot humus zijn afgebroken.” Bijna, niet helemaal. Want humusvorming vindt plaats in de bodem, door andere organismen dan degenen die het composteringsproces uitvoerden. En dat is al meteen een belangrijk onderscheid om te maken; dat we hier met twee verschillende processen te maken hebben die weliswaar op elkaar aansluiten en ook wel overlappen, maar die ieder in hun eigen milieu, onder specifieke omstandigheden en door verschillende organismen plaats vinden.

Compost is dus géén humus; het wordt humus, wanneer het op de bodem wordt gespreid en door het bodemleven verder wordt afgebroken en in de bodem wordt gewerkt.

Waarom nou dat onderscheid? Met compost voeden we het bodemleven. Het humuscomplex met daarin het bodemleven vormt het bodemvoedselweb, en dààr halen onze planten hun voeding vandaan.

 


Het bodemvoedselweb: alle kleine beestjes helpen

Compost is dus geen directe plantenvoeding. Simpel gesteld is het een halffabrikaat, een tussenvorm tussen ruw organisch materiaal en beschikbare voeding.

Kunstmest is directe mest en werkt rechtstreeks in op de planten. Compost werkt indirect, via het bodemleven.

Dus het spreekt voor zich dat wanneer we dat halffabrikaat zo goed mogelijk voorbereid en in een zo goed mogelijke kwaliteit aanleveren, het zo snel mogelijk de best mogelijke bodemverbetering zal worden, door stimulering van het bodemvoedselweb en daardoor uitbreiding van het humuscomplex.

Met name het langetermijneffect van compost is heel belangrijk: de opbouw van een bodem met veel verschillende bacteriën en schimmels en vooral: een stabiele structuur.
Daarnaast is het gebruik van compost als mulch belangrijk om de bodem te beschermen tegen verwering en tegelijkertijd onkruidgroei te onderdrukken. Ook hier zal het langetermijneffect een belangrijke bijdrage zijn.

Twee manieren
Er zijn twee wezenlijk verschillende manieren om te composteren; met zuurstof, de aerobe methode, en zonder zuurstof, de anaerobe methode. De eerste maakt gebruik van bacteriën en schimmels die zuurstof nodig hebben om te leven en hun werk te doen, en dat is de methode voor de kleinschalige compostmaker.

De tweede maakt gebruik van voornamelijk bacteriën en gisten die juist geen zuurstof nodig hebben om te leven en hun werk te doen en dat is de methode die in grootschalige fermentatie-composters gebruikt wordt, waarbij o.a. methaan vrijkomt wat wordt afgevangen als biogas. Het eindresultaat van deze methode wordt eveneens compost genoemd en verkocht als grondverbeteraar, maar geeft een heel ander product dan via de aerobe compostering (en het stinkt).

Wij zullen werken via de aerobe methode. Dus hoe doen we dat dan? En vooral ook: hoe doen we het niet?

De minimale afmetingen
Voor een goede compostering is een zekere hoeveelheid massa nodig. Onderzoek heeft aangetoond dat een hoeveelheid van ca. een kubieke meter (dat is 1 x 1 x 1 meter) een goed resultaat geeft en een werkbare materiaalhoeveelheid is. Dit geeft gelijk al aan dat veruit de meeste commerciële compostbakken echt veel te klein zijn. Kleine compostbakken en -hopen hebben relatief veel buitenoppervlak. Daardoor is de temperatuurverdeling ongunstiger en verloopt de compostering onregelmatig. Er is compost mee te maken, maar het duurt erg lang en de resultaten vallen vaak tegen.
Dus bigger is in dit geval inderdaad better.

Een bak met een flinke afmeting is noodzakelijk voor goede compostering

Voor wie groter wil: je kunt beter langer gaan, dan hoger en breder, omdat er anders onvoldoende zuurstof in de hoop kan doordringen. Composthopen zijn bijna altijd langwerpig. De hoogte en de breedte zijn beperkt, omdat lucht meestal niet veel meer dan ongeveer 75 cm een hoop indringt, wat de omvang tot 1,5 meter breed en hoog beperkt. Bij veel luchtig materiaal kan dat worden verruimd tot 2 meter. De lengte van een hoop is onbegrensd.

Zo lang als de voorraad strekt…

Locatie en uitvoering
Je kunt zelf een bak timmeren van gaas of pallets of plaatmateriaal, een bestaande (flinke!) kunststof bak gebruiken of het spul gewoon ergens op een hoop leggen. Elke methode werkt, maar afhankelijk van afmetingen, plaats en aandacht werkt de ene wel beter dan de andere. Een plek in de volle zon, waar de inhoud van de hoop of bak compleet uitdroogt, is niet geschikt, tenzij je bereid bent om naast je tuin ook je composthoop telkens water te geven.
Een plek in de schaduw is dus beter, omdat de omstandigheden er minder extreem zijn.

Zorg voor goede bereikbaarheid
En het is ook wel zo handig om de zaak op een plek te hebben waar je er goed bijkan. Sowieso voor het aanvoeren van materiaal en het uiteindelijk afvoeren van de gerede compost, maar ook omdat er tussentijds het e.e.a. moet worden omgezet; de hoop dient te worden gekeerd wanneer we het proces willen versnellen en een betere kwaliteit compost willen maken.

Dus zorg voor een redelijk ruime, goed bereikbare plek. Niet weggestopt achter een schuurtje waar je er nauwelijks bij kunt.

Ruim bemeten en goed bereikbaar is ideaal

Drie bakken of vier
Omdat er verschillende fasen zijn waarin het composteringsproces kan verkeren (waarover verderop uitgebreid), is het wel zo handig om tenminste drie hopen of bakken te hebben: 1 voor vers materiaal, waaraan nog wordt toegevoegd, 1 voor een hoop die bezig is en waaraan niet meer wordt toegevoegd, en 1 voor bruikbare of al volledig uitgerijpte compost.

Een nog betere versie gebruikt 4 bakken, waarbij de vierde dient voor het omzetten van 1 van de andere. Er is dan op elk moment een lege bak beschikbaar waarin een andere kan worden omgezet.

Vochtbeheersing
Verder streven we ernaar om de zaak vochtig, maar niet nat te houden. De verzameling levende omzetters die in de hoop leeft heeft vocht nodig, maar niet teveel. Dus moeten we de hoop afdekken tegen regen, want anders zou de hoop verzadigd raken met vocht, waardoor alle zuurstof verdreven wordt en de boel anaeroob wordt en gaat liggen stinken. En een eenmaal anaeroob geworden composthoop wordt niet uit zichzelf weer aeroob, daar is hulp voor nodig. Je zult dan de boel uit elkaar moeten vorken en uitspreiden om alles voldoende te laten drogen, alvorens de hele mikmak weer op te stapelen. Op die manier werk je het vocht eruit en opnieuw lucht erin. Of al het spul beetje bij beetje door een nieuwe hoop met veel droog materiaal verwerken. Veel werk voor niks, dus afdekken die hoop!

Een plastic zeil, een oud kleed, een stuk tapijt voldoen allemaal, of in het ideale geval een compostkleed, wat regen afvoert maar waterdamp van binnen naar buiten doorlaat. Een simpel houten deksel op de bak of ton kan ook, maar zorg er dan wel voor dat het niet zo zwaar en lomp wordt dat er nauwelijks mee te manoevreren valt.

Bij de omzetting van het materiaal komt veel warmte vrij door de stofwisseling van al die diertjes (we hebben het immers over leefgemeenschappen van miljarden exemplaren) en wanneer een regenbui ongehinderd door de hoop heen zou spoelen, wordt de hoop letterlijk uitgeblust en komen alle processen tot stilstand, ook wanneer de hoop dan nog niet anaeroob zou worden. Nog een goede reden om de zaak afgedekt te houden. Open composthopen die niet heel beschut liggen zijn daarom bijna bij definitie gedoemd om te mislukken.

Hou de zaak luchtig
Aerobe compost maken vraagt om zuurstof. Het is dus zaak om de boel luchtig te houden. Dat kan je op een paar manieren doen, en liefst door ze te combineren:

  • door de zaak regelmatig te keren (zie de alinea hierna)
  • door lagen fijn materiaal af te wisselen met grover materiaal (structuur in de hoop brengen)
  • door voor ventilatie te zorgen

In die laatste kan ook weer op verschillende manieren worden voorzien. Je leest vaak dat je een hoop dient te beginnen met een laag kortgeknipte takken van ± 1cm dik. Ik ben daar niet zo voor, want met het omzetten ga je die laag tegenkomen en er last van hebben. Bovendien zakt de erboven ontstane compost er op een gegeven moment tussen, waardoor de ventilatie niet meer werkt. Je moet dan de hele halfverteerde takkenzooi gaan uitvorken om de boel opnieuw op te zetten.

Je kunt ook een compostbak maken van wat palen met gaas eromheen, maar ook daar ben ik geen voorstander van. De buitenkanten drogen altijd uit, en tijdens het omzetten zit je vaak met je vork vast in het gaas.

Daarom werk ik liever met geperforeerde kunststof buizen die onder de hoop door gelegd worden, of, in het geval van een compostvat of anderszins ingesloten hoop, er verticaal ingestoken worden. Gebruik een buis van tenminste 70mm diameter en boor daar rondom elke 20-25cm gaten in van ± 25mm. Laat de rijen gaten verspringen ten opzichte van elkaar zodat de sterkte van de buis niet teveel wordt aangetast.
Voor verticale toepassing kan je evt. ook een koker maken van strak opgerold grofmazig kippengaas.

De buisdiameter is niet kritisch en je mag gerust groter gaan, maar let bij grotere diameters wel op de wanddikte i.v.m. de sterkte, want je verzwakt de buis immers door de gaten die je erin maakt.
De gatdiameter is eveneens niet kritisch, maar wanneer de gaten te klein zijn zullen ze gauw dichtslibben en wanneer ze te groot zijn valt er al snel materiaal in waardoor verstoppingen ontstaan.

Bij horizontale toepassing leg je de buizen dwars op de richting van de hoop, ervoor zorgend dat de uiteinden vrij blijven. Dus bij een hoop die aan de basis 1,50m breed is, hou je de buizen ± 2m lang zodat ze aan elke kant een stukje uit de hoop blijven steken.
Bij verticale toepassing zet je de buis in het midden van de hoop op de bodem en je bouwt de hoop eromheen op, waarbij je ervoor zorgt dat de buis boven de bovenkant van de hoop blijft uitsteken, dus bij een hoogte van 1,50m heb je een buis van ca. 1,60-1,75m nodig.

Buizen zijn makkelijk te verwijderen en opnieuw te plaatsen tijdens het omzetten. In het geval dat er materiaal in is geraakt klop je ze simpelweg even uit.

Beweging in de hoop houden
Zoals al gesteld wordt een vers opgezette (of net omgezette)  composthoop warm. Behoorlijk warm. We willen die warmte niet boven de 65 graden laten oplopen, want wanneer de temperaturen te hoog worden gaan de omzettingsorganismen dood.

Doorgaans bereikt een verse hoop die 65 graden zo’n 4 tot 7 dagen na het opzetten, o.a. afhankelijk van samenstelling, hoeveelheid materiaal en omgevingstemperatuur. Wanneer die 65 graden bereikt is, is het verstandig om de hoop om te zetten, wat zoveel betekent als: van boven naar beneden en van buiten naar binnen de hoop afbreken en opnieuw opzetten op de plek ernaast, waarbij ervoor gezorgd wordt dat wat buiten zat binnenin komt en wat bovenop lag nu onderop komt te liggen.

Hierdoor worden niet alleen alle materialen goed gemengd, maar komt er ook weer lucht in de hoop en koelt de zaak af. Het proces zal zich nu herhalen en je kunt dan elke keer dat de 65 graden gehaald wordt, de zaak omzetten, bijvoorbeeld weer terug op de oorspronkelijke plek, en zo heen en weer werken. En elke keer dat je de boel omzet werk je de buitenkant naar binnen en de bovenkant naar onder.
Een compostthermometer voorzien van een lange meetpen is een handig stuk gereedschap om het juiste moment te bepalen.

Voor elke keer dat een hoop wordt omgezet, verkort de composteringsduur ruwweg met de helft. Wanneer je een hoop correct opzet en afgedekt laat liggen, duurt het 14 tot 18 maanden alvorens er sprake is van bruikbare compost. Eén keer omzetten verkort dat tot 7 tot 9 maanden, nog een keer omzetten tot 14 tot 18 weken, etc.

Een bekende methode is degene die door de universiteit van Berkeley, Californië is uitgewerkt, waarbij een hoop wordt opgezet bij zomerse temperaturen, na 4 dagen omgezet en vervolgens elke tweede dag. Na 4-6 weken is het materiaal omgezet in volledig bruikbare compost. Dus wie haast heeft, kan door meer inspanning aanzienlijke tijdwinst behalen.

Vanwege het grote risico dat een hoop die wordt opgezet, maar nooit gekeerd, anaeroob wordt is het aan te raden om in elk geval 1 keer de hoop zo volledig mogelijk te keren. Anders zal in ieder geval al het materiaal aan de buitenkant niet verteerd zijn en in een nieuwe hoop verwerkt moeten worden.

Wat je in feite doet met het omzetten is de hoop “resetten” naar fase 1 en eventueel ook fase 2, afhankelijk van hoe lang je wacht voordat je de boel weer omzet. Zie verderop met de beschrijving van de 4 fasen van een composthoop.

Wat er wel in kan

Simpel gesteld kan alles wat ooit geleefd heeft in de composthoop worden afgebroken. Dingen als haar, nagelknipsels, vloerveegsel, de inhoud van de stofzuiger (en als het in een papieren stofzuigerzak zit; ook de zak zelf), citrusschillen, grasmaaisel, onkruid, snoeisels, kranten, karton, groente- en fruitafval van de keuken, koffie (met filters), koffiepads, thee (met zakjes, touwtjes en labeltjes eraan, en ook het papieren zakje waar het builtje in zat), visafval, dode kleine huisdieren etc. kunnen allemaal gecomposteerd.

Ook door phytophtora aangetaste aardappel- en tomatenplanten en aardappels en tomaten kunnen in de composthoop. De sporen van de schimmel overleven niet op dode materie, en in een hete hoop al helemaal niet. Bovendien is wanneer je de planten gaat afvoeren de kans juist groot dat je de sporen over het complex verspreidt waardoor je de infestatie alleen maar helpt toenemen. Wil je aangetaste materialen toch afvoeren, doe dat dan in een goed afgesloten plastic zak.

De voorwaarden
Om te beginnen: wanneer je wilt dat onkruidzaden en aangetast plantgoed goed en volledig onwerkzaam worden gemaakt, moet je een hete hoop (65°C) hebben en die minstens twee keer (liever vaker) keren om alles door het hete midden te halen.

Grasmaaisel kan er probleemloos in, maar wel steeds in dunne lagen (1-2 cm), omdat de boel anders gaat vervilten en een slijmerige, stinkende mat vormt. Goed verdelen dus.

Zaken als visafval (verpakt in papier) en dode kleine huisdieren (muizen, ratten, cavia’s, vogeltjes) stop je in het midden van een al warme hoop. Doorgaans vind je er niets meer van terug, hooguit misschien een botje hier of daar, maar uiteindelijk verdwijnt ook dat.

Dat geldt ook voor zuivelproducten zoals melk, kaas, yoghurt etc. Het kan probleemloos, maar wel midden in een liefst hete hoop. Hou het wel bij kleine hoeveelheden; een liter of twee verlopen melk of yoghurt is geen probleem.

Zelfde verhaal met maaltijdresten zoals gekookte groenten; gewoon op de hoop ermee en eventueel bedekken met nieuw materiaal of mest. In alle tuinboeken die iets over composteren vermelden kan je lezen dat het toevoegen van dat soort afval allerlei ongewenst gedierte aantrekt, maar dat heeft weer alles te maken met hoeveelheden in relatie tot de totale hoop. Een achtertuincomposter is een stuk kleiner dan een fatsoenlijke composthoop op de moestuin en de verhoudingen zijn ook totaal anders.

Voor kranten en ander papier geldt dat het geen glimmend papier mag zijn, dus geen “glossys” en de meeste folders. Zogauw het lijkt op het ouderwetse slappe krantenpapier zit je wel goed. De meeste inkten zijn tegenwoordig op plantaardige basis (soja) en breken dus goed af. De zware metalen die vroeger volop gebruikt werden in inkten mogen er tegenwoordig niet meer in zitten.

Bruin golfkarton van dozen of grijs karton zoals wc papier- en keukenrolkernen, achterkanten van schrijfblokken, de meeste schoenendozen etc. zijn prima. Dit moet uiteraard ontdaan zijn van alle stickers, tape, nieten en omsnoeringsbanden. Wanneer het karton een glimmende, bedrukte kant heeft, kan je die er soms zo aftrekken wanneer het karton licht vochtig is geworden door het een nachtje op het gras te laten liggen. Karton in grove brokken scheuren of snijden en nat maken door bijv. even te weken in een emmer water alvorens het in de hoop te verwerken.

Ook gebruikt keukenpapier en pappkarton, zoals eierdozen en binnenverpakkingen van huishoudelijke apparaten e.d. en opvulmateriaal van geshred karton is heel geschikt. Ook hier weer: nat maken voor het toevoegen, keukenpapier kan er zo in.

Houtas uit de houtkachel, open haard of vuurkorf kan ook prima in de composthoop. Mooi dun uitspreiden en uiteraard alleen as van onbehandeld hout gebruiken.

Paarden-, koeien-, schapen-, geiten- duiven- en kippenmest kan ook, compleet met bodemstrooisel, zo in de composthoop, net als bodemstrooisel van kleine huisdieren als cavia’s konijnen etc.

Wat er niet in kan
Geen olie en vet en geen vleesafval (tenzij als bij kleine huisdieren), en uiteraard geen glas, plastics (ook geen biologisch afbreekbare; dat spul vergaat in een kleine hoop echt véél te langzaam), metalen en dergelijke.

Eierschalen of kalk toevoegen is ook geen aanrader, omdat de kalk reageert met stikstofverbindingen in de hoop (de nitraten), waardoor de stikstof ontwijkt in de vorm van ammoniak. Bovendien breekt kalk het humuscomplex in de bodem af, waarbij inderdaad voeding vrijkomt, maar je sloopt er dus wel je bodem mee. En we proberen het humuscomplex op te bouwen, niet af te breken. Kalk gebruik je uitsluitend wanneer je bodem te zuur is en je dit niet wilt. Wil je toch “kalkbemesting” toepassen, gebruik dan Dolomietkalk (Dolokal), dit is magnesiumkalk en een langzaam werkende meststof voor lichte en middelzware grond. Gebruik dit met mate en rechtstreeks in je tuin, niet in je compost.
Eierschalen liever niet in de composthoop

Walnootdoppen en walnotenblad heeft een anti-bactriële werking en kan je dus maar beter achterwege laten. Pindadoppen kunnen wel, maar doe ze eerst in een zak en stap er flink op zodat de doppen kraken en verkleinen en laat ze dan een tijdlang weken in een emmer water.

Materiaal met een grote hergroeikracht zoals wilg en klimop laat je er ook beter uit. Je kunt het hakselen en dan als strooisel voor de paden gebruiken.

Wachthopen
Je kunt natuurlijk alles wat je in handen krijgt aan organisch materiaal constant rechtstreeks toevoegen aan de actuele hoop, maar vaak gebeurt het dat er ineens veel van iets beschikbaar komt wat niet allemaal ineens op de hoop moet. Het is daarom raadzaam te werken met wachthopen, waar materiaal per soort wordt bewaard zodat het afwisselend aan de composthoop kan worden toegevoegd.
Wachthopen maken goede afwisseling mogelijk

Let op de grootte van de ingrediënten
Het is zaak om de ingrediënten voor de hoop al goed te verkleinen alvorens ze toe te voegen, al geldt dat voor sommige meer dan voor andere. Takken en ander snoeisel dienen bijv. wel versnipperd te zijn, door het of goed klein te knippen met een snoeischaar, of het door een hakselaar te gooien.
Een hakselaar is ook goed geschikt voor het verkleinen van (spruit)koolstronken, maïsstengels, overgebleven aardappels en bieten en courgettes die wat al te enthousiast gegroeid zijn.

Karton kan je stuksnijden of -scheuren, papier kan door een papierversnipperaar.
Grote onkruiden zoals brandnetels kan je met een heggeschaar in korte brokken knippen. Datzelfde geldt voor hooi.
Dingen als meloenschillen en citrusschillen snij of knip je klein, terwijl bananenschillen vaak al beginnen te composteren terwijl ze nog om de banaan heen zitten!
Aardappelschillen e.d. zijn al verkleind en kunnen er zo in.

Door alles te verkleinen bereik je drie dingen: allereerst biedt je meer oppervlak aan de composteringsorganismen waardoor de afbraak een heel stuk sneller verloopt.
Ten tweede heb je bij het later omzetten van de hoop geen last van in elkaar grijpende, vermatte lagen waardoor je ineens de halve hoop aan je vork hebt hangen.
Tot slot zal je een veel fijnere, meer kruimelige compost als eindresultaat verkrijgen.

Afwisseling en vochtgehalte
Bouw de hoop afwisselend op met lagen van verschillend materiaal, hoe meer variatie hoe beter, en hoe dunner de afzonderlijke lagen, hoe sneller de vertering. Dus niet eerst alle mest, dan alle karton en tot slot grasmaaisel en GFT.

Geef elke nieuwe laag water, zeker wanneer je een laag houtachtig materiaal als versnipperde takken, hooi, stro of versnipperd papier toevoegt. Geef water d.m.v. een gieter met broes, zodat het water goed verdeeld wordt en je niet afwisselend kurkdroge en kletsnatte stukken krijgt.

De hoop moet redelijk vochtig, maar niet drijfnat zijn. Om een idee te geven, bij opzetten in de zomer hou ik 1 à 2 gieters van 10 liter aan per strekkende meter hoop, per laag.

De adviezen over het vochtgehalte variëren tussen 40 en 70%, waarbij 50-60% vaak het streven is. Het optimum verschilt per soort materiaal. Stro en hout kunnen onder natte omstandigheden toch nog goed doorlucht zijn, terwijl groenteafval boven 50% vocht al dicht kan zitten. De vuisttest is en blijft het meest praktisch: knijpen in een handvol materiaal mag geen uitpersend water opleveren en het mag geen verende droge massa blijken te zijn.

Uiteraard is veel afhankelijk van hoe nat of droog je ingrediënten zijn en hoe dik je lagen zijn. Je kunt beter wat behoudend zijn en afwachten of de hoop met een dag of 4 een flinke temperatuurstijging te zien geeft. Zoniet, dan voeg je water toe.

Kickstarten met zelfgemaakte compostversneller
Veruit de beste versneller voor elke composthoop is urine. Heb je paardenmest met bodemstrooisel (meestal stro) dan zit daar gelijk ook al aardig wat urine in, want een paard gooit er per dag zo’n 30 liter uit. Daar komen wij niet in de buurt, een volwassen mens produceert 2 tot 4 liter per dag. Maar alle beetjes helpen, en in je compost is het een meststof, in het riool een vervuiler. Het grootste deel van de kosten voor het reinigen van rioolwater worden veroorzaakt door de kleinste bijdrage. Urine bevat naast fosfor en kalium ook natrium, chloride, zwavel, calcium, magnesium en een aantal stikstofverbindingen (urea, ammonia, creatine en urinezuur). Dus moet je een plasje op de tuin: naar de composthoop ermee! Op die manier dien je vocht en meststoffen in 1 keer toe.

Je hoeft niet bang te zijn voor stankoverlast, want doordat de composteringsorganismen direct met de afbraak beginnen vindt er geen omzetting naar ammoniak plaats

Verrijk de mix
Een grotere diversiteit aan ingrediënten geeft een betere kwaliteit compost. Maar je kunt de compost ook nog “verrijken” door er tijdens de opbouw bepaalde extra zaken aan toe te voegen, zoals basaltmeel, lavameel of zeewierpoeder of -pellets, zodat met het spreiden van de compost ook gelijk het mineraalgehalte van de bodem wordt bijgewerkt.

Toevoegen van een dosis oude compost aan een nieuw opgezette hoop werkt als een enting met micro-organismen. Zo’n 10% oude compost is ruim voldoende om de compostering te ondersteunen.

Stikstofarme materialen composteren langzaam. Wie daar niet op kan of wil wachten, kan bloedmeel toevoegen. Dit bevat makkelijk opneembare stikstof en versnelt de compostering. Hoornmeel is ook stikstofrijk, maar verteert moeilijker, dus het stimuleert de compostering minder. Kippenmest is ook stikstofrijk. Hóe rijk hangt af van de hoeveelheid en soort bodemstrooisel die het bevat.

Mest- en compostsoorten vergeleken

Mestsoort

Humus- opbouw

N totaal

kg/ton

P2O5

kg/ton

K2O

kg/ton

C-N

verhouding

Kippenmest vers

1

8,9

4,2

9,1

14

Kippenmest oud

3

12,3

7,5

16,9

12

Runder potstal vers

4

4,0

0,7

8,1

22

Runder potstal oud

7

6,4

2,1

14

Champost bio

9

10,6

4,0

10,6

16

Humusopbouw van 1 tot 10 waarbij een hoger cijfer staat voor meer bijdrage

Is een “hete hoop” noodzakelijk?
Nee. Kort en simpel. Je kunt gewoon alles naar behoren opbouwen, gieten en afdekken en dan laten liggen. Dit is de “koude compostering”, waarbij doorgaans kort na het opzetten 1x een hoge temperatuur wordt gehaald en daarna koelt de hoop af en gaat heel langzaam verder met composteren.

Maar niet alleen duurt alles veel langer, niet alles composteert. In elk geval het spul bovenop en aan de buitenkanten zal zo goed als niet composteren. En onkruidzaden en pathogenen zullen niet onschadelijk gemaakt zijn.

Dus wil je niet de moeite doen om een hoop herhaaldelijk om te zetten en heet te houden, let dan erg goed op wat je erin doet.

Onkruidzaad en ziekten en plagen
Compost is een potentiële verspreider van onkruidzaad of van ziekten en plagen. Wanneer de compost warm genoeg wordt, overleven deze de compostering echter niet. De tabel geeft voor een aantal onkruiden en ziekten de dodelijke temperaturen aan. Deze temperaturen zijn een benadering. Korte tijd bij 55 ºC kan net zo effectief zijn als langere tijd bij 50 ºC.

Onkruid, ziekte of plaag

Dodelijke temperatuur in °C

Straatgras

60

Vogelmuur

50

Sclerotinia, botrytis, rhizoctonia

50-55

Phytium, phytophthora

45-55

Knolvoet

50-60

Witrot

60

Ritnaalden

40

Aaltjes

50

Eén van de toegevoegde waardes van compost is de ziektewering. Daarover spreken onderzoekers en boeren vaak. Praktische toepassing in bijvoorbeeld beoordelinggegevens van compost is er nog niet, maar de aspecten rond ziektewering dragen wel bij tot de beeldvorming rond de verschillende bodemprocessen. Ziektewering is een term die vrij nieuw is. Onder deze term valt ziekteonderdrukking doordat organismen elkaar beconcurreren of opeten, maar ook verbetering van weerstand van de plant, waardoor deze minder snel ziek wordt. ⇑ Vogelmuur (Stellaria media)

Er zijn zeker 6 mechanismen die een rol spelen bij ziekteonderdrukking:

  • Voedselconcurrentie; het compostleven gebruikt hetzelfde voedsel als de ziekteverwekker.
  • Onderdrukken van geur van worteluitscheiding; aaltjes en sporen van schimmels reageren op de geur van worteluitscheidingen. De organische stof absorbeert de geur.
  • Parasitisme; compostorganismen parasiteren ziekteverwekkers.
  • Productie van antistoffen; compostorganismen produceren stoffen die ziekteverwekkers remmen.
  • Weerstandverhoging van de plant; de plant krijgt ondergronds meer weerstand en dit werkt ook bovengronds door in een verhoogde weerstand.
  • Milieuveranderingen; de pH, bodemstructuur en vochthuishouding veranderen, waardoor een stabielere groei mogelijk is.

Omzettingsprocessen
Koolhydraten, celstof, houtstof en vetten worden in het proces omgezet in koolzuurgas (CO2) en water (H2O). Deze omzetting is een soort gecontroleerde verbranding door micro-organismen, vergelijkbaar met de vertering van voedsel door dieren en mensen. Koolzuurgas en water komen uit de hoop vrij. Eiwitten leveren eveneens koolzuurgas en water, maar er komt ook ammoniak (NH3) vrij tijdens de vertering. Onder gunstige omstandigheden wordt dit echter verder verwerkt en daardoor vastgehouden in de hoop.

Het verminderen van de omvang van een composthoop komt dus deels door het verdwijnen van organisch materiaal in de vorm van koolzuurgas en water. Daarnaast verdampt er door de hoge temperatuur water. Wanneer de compostering tot en met de derde fase door gaat, blijft van de hoeveelheid materiaal waarmee werd begonnen 50 tot 60% over. Bij composteerbedrijven ligt het rendement door betere beheersing van het proces hoger, meestal ongeveer 70%.

De mineralen in de composthoop, met uitzondering van stikstof, kunnen niet als gas uit de hoop verdwijnen. Dit zijn onder andere fosfor (P), kalium (K), magnesium (Mg), calcium (Ca) en een grote variatie aan sporenelementen. Ze worden door het compostleven samen met een deel van de organische stof ingebouwd in humusachtige stoffen. Voor een deel zullen ze vrij en direct opneembaar in de compost beschikbaar zijn.

Groen en bruin, oftewel de koolstof-stikstof verhouding (C-N)
Om goede compost te maken is het belangrijk om een klein beetje te weten wat de verschillende ingrediënten “doen” in de hoop. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bruine materialen (overwegend koolstof) en groene materialen (overwegend stikstof), omdat de verhouding tussen die twee elementen voor het grootste deel bepaalt hoe de uiteindelijke compost zal zijn.

Het leven in de composthoop gebruikt organisch materiaal als voeding. Voor hen is koolstof zowel bouwstof als leverancier van energie. Een deel van de verteerde koolstof wordt ingebouwd in “lichaams”weefsel, een ander deel wordt gebruikt om de levensprocessen van energie te voorzien. Daarbij komt CO2 (koolzuurgas) vrij. Stikstof wordt in tegenstelling tot koolstof alleen gebruikt als bouwstof, niet als energiebron.

Een C-N verhouding van 30:1 blijkt optimaal te zijn. Dat wil zeggen dat bij een verhouding 30 kilo koolstof op 1 kilo stikstof al die stikstof aan koolstof kan worden gebonden.

Chemisch werkt het zo: CH2O + O2 → H2O + CO2.

In woorden: Koolhydraten en zuurstof worden door het bodemleven omgezet in water en koolzuurgas. Daarbij komt energie vrij, waar het bodemleven van leeft. Daarvoor wordt tweederde van de koolstof gebruikt. Eén derde gebruikt het bodemleven om zelf te groeien, om het eigen lichaam op te bouwen.

Organismen bevatten dus ongeveer 10 kg koolstof op 1 kg stikstof (C-N 10:1). Bij het inbouwen van 10 kg koolstof is 20 kg koolstof nodig geweest voor de energievoorziening. Totaal is er dus 30 kg koolstof nodig geweest voor de vastlegging van 1 kg stikstof, ofwel een C-N verhouding 30:1. De C-N verhouding drukken we uit in één getal: 30:1 wordt dan C-N 30.
Bij de vertering van vers gras komt stikstof beschikbaar

Bij de vertering van stro wordt stikstof onttrokken

Elke ingrediënt heeft zijn eigen koolstof-stikstof verhoudig, of C-N ratio. Hoe meer stikstof een materiaal bevat, hoe sneller (en heter) het de hoop maakt, want de afbraakorganismen hebben weliswaar koolstof nodig om hun lichamen te vormen, maar daarbij hebben ze stikstof nodig om die koolstof beschikbaar te maken.

Komt de ratio boven de 30, dan zullen de organismen de benodigde stikstof elders weghalen, waardoor die niet beschikbaar is voor de planten. Iets wat je kunt hebben wanneer je zaailingen uitplant in closetrolletjes of eierdozen (karton is heel hoog in koolstof, zie de lijst hieronder), of wanneer je strorijke mest of houtsnippers in de bodem inwerkt i.p.v. het er gewoon bovenop te leggen. Het verschijnsel wordt stikstofvastlegging genoemd en kan maanden duren om te herstellen, want de stikstof komt pas weer beschikbaar wanneer de omzettingsorganismen sterven. Zou je zoiets waarnemen, dan kun je dat corrigeren door een makkelijk opneembare stikstofrijke toevoeging te geven zoals bloedmeel of kippenmestkorrels.

Groene materialen bevatten doorgaans veel water en voedingsstoffen, terwijl bruine materialen doorgaans nogal droog zijn.

Simpel gesteld: dor hout = bruin = veel koolstof. Gras en jonge twijgen = groen = veel stikstof.

Maar hoewel koffie bruin is, bevat het relatief veel stikstof en is daardoor een “groene” component. Gedroogd gras (hooi) is het meeste vocht en stikstof kwijt en wordt daarom een bruine component. Afhankelijk van de toestand waarin een materiaal verkeert kan het dus groen of bruin zijn.

Nou moet je natuurlijk niet gaan zitten uitrekenen hoe je precies op die ratio van 30 uitkomt, zolang je maar rekening houdt met hoe rijk een ingrediënt aan koolstof of stikstof is, waardoor je weet of je er veel of weinig van kan gebruiken in relatie tot de andere ingrediënten. Maar hoe dichter je bij die “magische ratio” komt, hoe sneller en vollediger de compostering verloopt. Wanneer de ratio voor verse compost, dus de mix van ingrediënten aan het begin van de compostering, rond de 30 zit, dan zal de ratio van de uitgerijpte compost rond de 10 tot 15 liggen.

Dat komt omdat tijdens het proces een deel van de koolstof ontwijkt naar de atmosfeer in de vorm van koolzuurgas; CO2. De omzettingsorganismen ademen dat namelijk uit, net als wij.

Hieronder een overzichtje van wat materialen en hun C-N ratio, de waarden zijn uiteraard gemiddelden:

Groene materialen:

  • Appelpulp (na persen voor appelsap) 21
  • Beendermeel 3,5
  • Gazonmaaisel, vers 16
  • Gazonmaaisel, droog 20
  • Gemengd onkruid, vers 18
  • Groenteafval 12
  • Klaver, in bloei 23
  • Klaver, groen 16
  • Mest, kippen-, vers * 7
  • Mest, koe- vers * 18
  • Mest, koe-, verteerd (1 jaar oud) * 20
  • Mest, paarden-, vers * 25
  • Phacelia, vers 11
  • Bijenvoer, Phacelia tanacetifolia
  • Urine, mens 0,8
  • Visresten 4

* Dit betreft mest zonder stro, dus geen stalmest.

Bruine materialen:

  • Algemeen tuinafval 30
  • Herfstbladeren, vers 30
  • Herfstbladeren, droog 50
  • Hooi en stro 90
  • Houtschaafsel (strooisel kleine huisdieren) 400
  • Karton 800
  • Zaagsel (varieert per houtsoort) 400-600

Zoals je ziet bevatten ook de groene materialen veel meer koolstof dan stikstof, maar als een materiaal gemiddeld gezien onder de 30 blijft wordt het als een groen materiaal gezien. En omdat urine zo goed als geen koolstof bevat is het zo’n goede stikstofbron.

Het laat ook zien dat je van alleen gemengd tuinafval of alleen paardenmest een prima compost kunt maken, en dat je met bijvoorbeeld zaken als karton en houtschaafsel maar weinig hoeft toe te voegen om een hele berg “groen” weer in balans te brengen, of anders gezegd; wanneer je teveel karton of houtschaafsel toevoegd zul je nogal wat groen materiaal moeten toevoegen om de zaak weer werkend te krijgen. Vandaar dat mensen die elke week de inhoud van de cavia-kooi in de compostbak legen samen met het wekelijkse keukenafval, klagen dat de boel maar niet wil composteren. Zoals je nu snapt is het geheel niet alleen veel te droog, maar ook compleet uit verhouding.

Het gaat erom dat de koolstof en stikstof goed door elkaar gemengd en in een toegankelijke vorm beschikbaar zijn voor het bodemleven, bijvoorbeeld stro, houtsnippers, bermgras, blad, gewasresten, mest etc.

Wie merkt dat er te weinig stikstof in de hoop zit waardoor de boel niet op gang wil komen, kan bloedmeel of kippenmestkorrels toevoegen en dat inspoelen met urine of water om de stikstof te boosten.

Wat gebeurt er bij een C-N ratio van minder dan 25 á 30
Wanneer er een stikstofoverschot in de hoop aanwezig is, zal koolstof de beperkende factor voor de vertering zijn. Alle voor de organismen verteerbare koolstof wordt aangepakt.
Daarbij gebruiken de organismen niet meer stikstof dan ze voor de opbouw nodig hebben. De rest blijft ongebruikt, dus vrij beschikbaar, in de hoop aanwezig. Het materiaal zal bij toediening aan de bodem van begin af aan stikstof beschikbaar stellen. Bij een zeer lage C-N ratio, bijvoorbeeld drijfmest met C-N 10, zal het bodemleven koolstof uit de bodem moeten benutten om de mest te verteren. De humusvoorraad wordt in dat geval aangesproken en niet meer aangevuld. Dit leidt dus tot afbraak van het humuscomplex.

Wat gebeurt er bij een C-N ratio van meer dan 25 á 30
Wanneer er een koolstofoverschot in de hoop aanwezig is, zal stikstof de beperkende factor zijn. Het bodemleven benut in dat geval alle beschikbare stikstof. Zodra er ergens, door bijvoorbeeld afsterving van organismen of vertering van materiaal, stikstof beschikbaar kom, werpt het compostleven zich daar op om het te hergebruiken. De hoop is daardoor goed in staat om alle stikstof vast te houden. Dit materiaal zal bij toediening aan de bodem in eerste instantie geen stikstof leveren. Bij een erg hoge C-N ratio, bijvoorbeeld 40 of meer, zal het bodemleven zelfs stikstof aan de bodem onttrekken, om de vertering aan te pakken.

Het bovenstaande is nog te overzien. Wat de compostering lastiger maakt, is dat de koolstof en stikstof beschikbaar en bereikbaar moeten zijn. Een boomstam in een tank met gier is een voorbeeld waar koolstof en stikstof elkaar slecht kunnen bereiken. Een vergelijkbaar probleem kan zich op microschaal in de composthoop voordoen. Stro is geschikt om de C-N ratio te verhogen, maar het moet dan wel goed door de hoop verdeeld zitten. Naast de verdeling speelt ook de samenstelling van het koolstofrijke materiaal een rol. Hout bevat zeer veel koolstof, maar is lastiger te verteren dan stro.

Ook de temperatuur beïnvloed de vertering. In de eerste en tweede fase zijn vooral suikers en cellulose van belang. Micro-organismen die deze benutten, leven optimaal bij hoge temperaturen, maar boven 55 ºC neemt hun activiteit weer af.

Zelfs bij zorgvuldig composteren kan 10-20 % van de stikstof verloren gaan. In de beginfase als ammoniak (NH3), in een latere fase als nitraat (NO3). Dit kan uitspoelen, en bij temperaturen rond 25 tot 30 ºC kan het makkelijk denitrificeren. Hierbij ontstaat stikstofgas (N2) of stikstofoxiden (NOx en N2O). Sommige onderzoekers adviseren daarom de compost al in de rijpingsfase op te brengen en de laatste rijping op de bedden plaats te laten vinden. In slechte omstandigheden kan het stikstofverlies namelijk tot 60% oplopen!

Fosfor vervluchtigt niet en spoelt ook nauwelijks uit. Maar er kan 5 tot 10% van de fosfor in het uitvloeiingswater van een slecht verzorgde hoop terechtkomen. De stabiliteit van fosfor is terug te vinden in de relatief hoge gehalten fosfaat in compost. Kalium spoelt heel makkelijk uit. Door afdekken tegen regen kun je het kaliumverlies tot onder de 10% terugbrengen. Calcium en magnesium zijn vrijwel ongevoelig voor uitspoeling.

Stoppen met toevoegen
Hoe verleidelijk het ook is om maar gewoon te blijven toevoegen, je zult op een gegeven moment moeten stoppen. Meestal is dat wanneer de bovenkant van de bak bereikt is. Maar wanneer je een tijdje wacht, zal de hoop inzakken, en kan je er dus weer bijdoen. Toch zul je die neiging moeten onderdrukken en een nieuwe hoop of volgende bak opstarten, want anders zul je nooit met gerede compost eindigen.

Vol is vol. Tijd voor de volgende bak.

De 4 fasen van het composteringsproces – uitgebreid
(spring naar: De 4 fasen – samengevat )

Fase 1 – snelle temperatuurstijging

Kort na het opzetten van de composthoop stijgt de temperatuur snel. Binnen enkele uren tot dagen schiet de temperatuur omhoog naar ± 60 ºC. Het zijn de bacteriën die voor de snelle temperatuurstijging zorgen doordat zij profiteren van de interne lucht die bij het opzetten in de hoop terecht is gekomen. Een bacterie kan onder gunstige omstandigheden elke 20 minuten verdubbelen, wat betekent dat één bacterie na een werkdag van acht uur al 16 miljoen nakomelingen kan hebben, evenveel als het totale aantal Nederlanders! En dat proces produceert veel warmte; voor elke kilo koolstof die wordt omgezet in bacterieweefsel wordt 2 kilo koolstof gebruikt als brandstof.

De bacteriën verteren vooral eenvoudige koolhydraten zoals zetmeel en suikers. Ook eiwitten zijn makkelijk afbreekbaar. In deze fase kunnen organische zuren ontstaan, waardoor een lichte pH-daling optreedt, maar deze daling verdwijnt weer in de volgende fase.

Fase 2 – hoge temperatuur

De hoop kan gedurende enkele weken op een hoge temperatuur blijven. De maximum aanbevolen temperatuur is 65 ºC want bij een hogere temperatuur sterven veel van de micro-organismen die het composteringsproces moeten uitvoeren. Chemische reacties kunnen het proces dan gaan overheersen en deze kunnen de temperatuur zelfs tot boven 100 ºC opvoeren waarbij broei en verbranding ontstaan. Een te hoge temperatuur geeft ook hoge stikstofverliezen, omdat ammonium (NH4+) dan makkelijk verdwijnt als ammoniakgas (NH3).

Bacteriën spelen nog steeds de hoofdrol, maar langzamerhand worden andere organismen actief, zoals schimmels en actinomyceten (straalschimmels). Actinomyceten zijn de organismen die in een bos de bosgrondlucht veroorzaken en die er voor zorgen dat een grond “lekker gronderig” ruikt. De schimmels verteren in eerste instantie vooral celstof (cellulose en hemicellulose), maar beginnen ook alvast aan het zwaarder verteerbare houtstof (lignine).

Om op een hoge temperatuur te blijven, moet er veel zuurstof de hoop in kunnen en overtollig koolzuurgas moet eruit kunnen. Er is een intensieve gasuitwisseling met de omgeving. Er kunnen bij een hoge temperatuur ook flinke hoeveelheden water verdampen. Veel verse mest en groene materialen bevatten bij het opzetten van de hoop 80-85 % water. Compostering verloopt ideaal bij ± 60 % water, dus verdamping is dan gunstig. De mate van vochtigheid is prima met de hand te beoordelen. Neem daarvoor een handvol materiaal en knijp er stevig in. Perst er vocht uit dan is het te nat, veert het na loslaten als een spons terug dan is het te droog. In de ideale situatie blijft de afdruk van de hand zichtbaar.

Om er voor te zorgen dat ook de buitenkant van de hoop warm wordt, is het goed om tijdens deze periode de hoop om te zetten en daarbij het materiaal van de buitenkant naar de binnenkant te brengen. Op deze manier maak je het materiaal los, waardoor de lucht er weer goed in door kan dringen. Onkruidzaden en ziektekiemen gaan in deze fase dood.

De pH-daling uit het begin verdwijnt nu weer, omdat de toen ontstane organische zuren nu verder worden verteerd. Daarnaast komen er in de loop van deze fase basisch werkende mineralen vrij, bijvoorbeeld calcium (Ca), natrium (Na), magnesium (Mg) en kalium (K).

Fase 3 – afkoeling, humusvorming en nitraatvorming

De afkoeling duurt enkele weken tot maanden. Daarbij daalt de temperatuur tot dicht bij de normale bodemtemperatuur. In deze periode werken schimmels door aan de afbraak van houtstof (lignine). De paddestoelen, een groep binnen de schimmels, kunnen ook voorkomen. Deze houden van relatief droge omstandigheden, dus dat is een teken dat de composthoop (plaatselijk) te droog aan het worden is. Het afbreken van houtstof is veel meer werk dan het afbreken van celstof of koolhydraten, dus deze periode kan lang duren. Bacteriën benutten de afvalstoffen van de schimmels als voeding en voeden zich met afstervend schimmelweefsel. Het inmiddels veel meer gevarieerde microleven start nu met de humusvorming.

De eerste insectachtigen maken gebruik van de afkoeling om zich in de hoop te ontwikkelen. Springstaarten zijn daarvan een belangrijke groep. Zij verkleinen en vermengen het houtige materiaal, waarna schimmels of bacteriën er verder aan werken. De uitwerpselen bevatten voor planten makkelijk opneembare voeding.

Witte springstaarten

In de loop van deze periode kunnen ook rode mestwormen actief worden. Het is opvallend dat er in Nederland zelden mestwormen te vinden zijn. Omdat er weinig hopen zijn die de voor mestwormen ideale fase bereiken, is de levenscyclus van deze worm op veel plaatsen onderbroken. De rode mestworm overleeft niet onder akker- of weideomstandigheden. De eieren kunnen wel via het grasland en veevoer (en uiteindelijk: mest) de cyclus naar de composthoop voltooien.

Mestwormen (Eisenia foetida)

Tijdens de afkoelingsfase ontstaat ook nitraat. Omdat er in de loop van het achterliggende proces al veel koolstof is verteerd kan er langzamerhand een overschot aan stikstof ontstaan. Stikstof wordt uiteraard in humus vastgelegd, maar komt deels als ook als nitraat (NO3-) in de hoop terecht. Het is altijd zinvol om een composthoop te beschermen tegen regen, maar vanaf deze fase gaat dat nog sterker op. Er kan veel nitraat beschikbaar komen en deze is gevoelig voor uitspoelen. Compost staat bekend als materiaal dat op korte termijn weinig stikstof levert. Dat hoeft niet het geval te zijn. Wanneer alle stikstof die in minerale vorm vrijkomt in de hoop bewaard blijft kan de compost ook op korte termijn voeding leveren. De praktijk is echter meestal anders. Wanneer 30 tot 40 % van de stikstof tijdens de compostering uit de hoop verdwijnt, een flink percentage dat in de praktijk echter zeer veel voorkomt, zal het nitraatgehalte van de compost op het moment van gebruik inderdaad niet hoog zijn.

Overtollige (dat is: ongebonden) stikstof kan dus als nitraat uitspoelen. De omzetting van stikstof naar nitraat gaat via ammonium (NH4+). Deze stof kan makkelijk omzetten naar ammoniak (NH3) en zo de hoop uit gaan. In dat geval ruik je het al snel.

De kans is groter dat de vorming van nitraat wel plaatsvindt, maar dat de nitraat vervolgens door denitrificatie wordt omgezet in stikstofoxiden of pure stikstof. Dat gebeurt alleen onder zuurstofarme omstandigheden, maar die komen in veel hopen voor. Denitrificerende bacteriën leven onder zuurstofarme omstandigheden en gebruiken de nitraat als bron voor zuurstof. Dit gaat allemaal erg ongemerkt; je ruikt het niet, je ziet het niet, maar op het einde van de rit is een flink deel van de stikstof weg, zie ook de grafiek hieronder.

Lekwater uit composthopen in liters

Fase 4 – terug bij omgevingstemperatuur, normaal bodemleven en plantengroei

De composthoop wordt nu aarde-achtig. In de praktijk zullen niet veel composthopen deze fase bereiken, doordat ze al in een eerdere fase op het land komen. Alleen waar een hoop langer blijft liggen komt het voor. Als een hoop wel deze fase bereikt, zijn er bijvoorbeeld regenwormen in te vinden. Dat is een teken dat de omstandigheden in de composthoop te vergelijken zijn met die in de bodem. Alle organismen die in de bodem leven kunnen ook in een composthoop in deze fase leven. Ook planten zullen zich op de hoop gaan ontwikkelen. Brandnetel en muur leven graag op een composthoop, want deze pioniers houden van de combinatie van organisch materiaal en hoge stikstofbeschikbaarheid.

Regenworm (Lumbricus terrestris)

Compost in de laatste fase heeft beperkte voedingswaarde. Het is een goede aanvulling op de al in de grond aanwezige humus, maar voor bijvoorbeeld het bodemleven is er niet veel meer aan te beleven. Het materiaal is te stabiel geworden om als het ware nog verfrissend en activerend op de bodem en het bodemleven te kunnen werken.

De hoeveelheid humus in de hoop is nu groot. Het materiaal is meestal iets meer basisch dan bij aanvang van de compostering, de maximale pH is 8, tenzij compost van hout of blad is gemaakt, deze kan licht zuur zijn.

Op hoop van leven
De hoeveelheid micro-organismen in compost is onvoorstelbaar! Per gram bijvoorbeeld 100.000.000 tot 1.000.000.000 bacteriën. Van schimmels zijn het er “maar” 10.000 tot 1.000.000. Wie durft er nog te beweren dat een tuinder alleen maar planten teelt! 🙂

De 4 fasen van het composteringsproces – samengevat
Fase 1 is de warme fase. In deze fase is woekering van en afbraak door micro-organismen kenmerkend, die begint met een enorme bacterieontwikkeling.
Kort daarna, in fase 2, start ook de ontwikkeling van schimmels. De vertering is nog steeds gericht op makkelijk afbreekbare stoffen.
Fase 3 kenmerkt zich door omvormingsprocessen en een zekere mate van ordening en rust in de hoop. Er zijn nu veel verschillende soorten organismen die in balans met elkaar leven. Schimmels zijn een belangrijke groep. De eerste humus begint te ontstaan en er is nitraatvorming. Houtachtige stoffen verteren in deze periode.
In fase 4 keert de rust volledig terug, de compost is veraard, het leven in de hoop stabiliseert en is dan vergelijkbaar met dat in een humusrijke grond.

Wanneer tijd geven voor de afrijpingsfase (fase 4)
span style=”font-family: arial, helvetica, sans-serif;”>Wanneer de hoop een aantal keren is omgezet en daarna is afgekoeld, is er afhankelijk van het seizoen, de samenstelling en hoe vaak er werd omgezet nog de rijpingsfase waarin alle omzettingsprocessen worden afgerond en het materiaal tot rust komt. Uitgaande van materiaal dat tenminste een viertal keren werd omgezet, kan dit variëren van 4 tot 6 weken in de zomer tot 8 tot 12 weken in de winter.

Deze rijpingsfase dient volledig voltooid te zijn wanneer je direct in de compost wilt zaaien of planten. Een simpele proef is om wat compost in een bakje te doen en er wat tuinkers in te zaaien. Kiemt de tuinkers probleemloos, is de compost gereed. Zoniet moet je nog wat langer wachten.

Om compost op gevestigde bedden te kunnen spreiden hoeft ze nog niet volledig afgerijpt te zijn (fase 3), liever niet zelfs, omdat het bodemleven veel sterker gestimuleerd wordt door nog niet volledig uitgerijpte compost. Zeker aan het einde van het teeltseizoen, onder fruitbomen en -struiken en bij overblijvende groenten als asperge, rabarber, eeuwige kool, mergkool e.d. kan goed verse (nog niet uitgerijpte) compost worden opgebracht.

Aangezien het volstaat om 1x per jaar de bedden met een laag van zo’n 5cm compost te bemesten is het het meest praktisch om dit na de laatste teelt voor de winter te doen. Gedurende de winterperiode kan de verse compost dan aan het oppervlak afrijpen. Maar wie bijv. zijn bedden met winterprei of sluitkolen niet met verse compost wil bedekken, kan ook de compost laten waar hij is en pas in het voorjaar, na het afoogsten, alsnog de dan volledig afgerijpte compost opbrengen en er direct in uitzaaien of -planten.

Problemen, oorzaken en oplossingen

Probleem Mogelijke oorzaak Maatregelen
Temperatuur van de hoop blijft te laag Materialen te droog Voeg water toe
Materialen te nat Hoop omzetten en structuurrijk en droog materiaal toevoegen
Onvoldoende stikstof, (C-N meer dan 50) Stikstofrijk materiaal toevoegen (vers grasmaaisel, vers onkruid, bloedmeel, kippenmest)
Koud weer en te lage hoop (lager dan 1 meter) Hoop hoger maken door makkelijk verteerbaar materiaal toe te voegen
pH te laag (minder dan 5,5) Kalk toevoegen
Temperatuur daalt te snel Te weinig zuurstof Hoop omzetten en beluchten
Te droog Voeg water toe
Sterke temperatuurverschillen binnen de hoop Materialen slecht gemengd Hoop omzetten
Lucht verplaatst slecht door plaatselijke verschillen in vochtingheid Hoop omzetten
Temperatuur daalt geleidelijk en stijgt niet na omzetten Compost is bijna klaar (C-N meer dan 20) Geen
Te droog Omzetten en water toevoegen
Temperatuur te hoog Te weinig warmteafvoer Hoop omzetten
Matig tot laag vochtgehalte Water toevoegen
Hoop te hoog Lager maken
Hoop te luchtig Aandrukken of omzetten ter afkoeling
Ammoniakgeur Teveel stikstof (C-N minder dan 20) Voeg koolstof toe (stro, karton, hout)
Te hoge pH Voeg neutraal en bufferend materiaal toe (oude compost, klei)
Koolstof is aanwezig, maar te stabiel (teveel hout) Makkelijk verteerbare koolstof toevoegen
Rotte eieren geur (zwavelwaterstof, H2S)

Luchtgebrek bij lage temperatuur:

te nat,

te weinig structuur,

te weinig beluchting

Droog materiaal toevoegen, houtig materiaal toevoegen, hoop omzetten

Luchtgebrek bij hoge temperatuur:

Hoop te hoog

Beluchting ongelijkmatig

Hoop minder hoog maken, omzetten en/of samenstelling veranderen
Geuroverlast na omzetting Uitgangsmaterialen gaan stinken bij hoge temperatuur Regelmatig omzetten, structuur toevoegen
Onvoldoende lucht bij lage temperatuur Vaker omzetten, structuur toevoegen
Vliegen of muggen rond de hoop Verse mest of voedsel aan de oppervlakte Omzetten of afdekken
Muggen rond de hoop Uitlopend water; draineer de compostplaats
Veel grove delen Slecht gemengd materiaal Beter verdelen
Luchtaanvoer onregelmatig Verklein materiaal of verbeter doorluchting
Teveel grof materiaal Materialen hakselen alvorens toe te voegen
Compost is nog niet klaar Composteringsperiode verlengen of omstandigheden verbeteren

Voordelen van composteren en compostgebruik

  • Er hoeft, behalve de oogst, niks van de tuin afgevoerd te worden
  • Compost is, doordat het droger is en een rullere structuur heeft, veel makkelijker te spreiden dan mest
  • Door de vorming van humus komt een deel van de mineralen in een stabiele vorm in de compost terecht. Anders gezegd: er is een verschuiving van de makkelijk verteerbare stikstof zoals eiwit in de richting van stabiele en gebonden stikstof in de vorm van levende organismen en humus
  • De bodemstructuur verbetert enorm door vorming van het humuscomplex, waardoor veel betere doorworteling van de bodem mogelijk wordt
  • De humuszuren houden de voeding vast. Deze spoelt dus niet uit, maar blijft beschikbaar voor de planten
  • Humuszuren kunnen schadelijke stoffen als zware metalen afbreken of vastleggen
  • Humuszuren stimuleren de werking en vermeerdering van het bodemleven en meer leven in de bodem zorgt voor sterkere planten
  • Het vochtvasthoudend en vochtregulerend vermogen van de bodem neemt enorm toe, waardoor bij droogte minder gieten nodig is en in natte perioden er minder wateroverlast ontstaat
  • Vermindering van zuurstofconcurrentie. Vooral bij toediening in de winter van onrijpe compost of in het voorjaar van uitgerijpte compost kan dit een merkbaar verschil opleveren met in de winter of het vroege voorjaar opgebrachte verse mest. Verse mest geeft een opleving van het bodemleven, met name bacteriën. Maar deze bacteriën gebruiken zuurstof uit de bodemlucht. De wortels van het gewas hebben echter ook zuurstof nodig. In het voorjaar is de hoeveelheid bodemlucht nog schaars, dus heeft het gewas het vaak al moeilijk. Wanneer verterende mest concurreert om de zuurstof kan dat ten koste van de gewasgroei gaan.
  • Compost kan op elk moment van het jaar worden gebruikt. Het heeft niet zoals mest een groot aandeel snel beschikbare en dus uitspoelinggevoelige mineralen. Hierdoor komt het moment moment van aanbrengen veel minder nauw
  • Er hoeft geen specifiek bemestingsschema te worden aangehouden per groentesoort en er hoeft in de loop van het jaar niet aanvullend bemest te worden: 1x per jaar volstaat voor alles
  • Compost fungeert als bodembedekkende mulchlaag en onderdrukt daardoor de groei van onkruiden
  • Onkruiden die toch kiemen zijn veel makkelijker te wieden in de losse bodem
  • De met compost bedekte bodem is beschermd tegen erosie van zon, wind en water
  • Planten treffen een actief bodemleven aan waarin alle benodigde hulp- en voedingsstoffen in ruime mate voorhanden zijn
  • Voor de biologisch-dynamische tuinder is de composthoop een belangrijke plaats om kosmische en aardse werking, bijvoorbeeld via compostpreparaten, te laten doorwerken
  • Doden van ziekten en plagen en onkruidzaden. Mest is een potentiële verspreidingsbron van ziekten en onkruidzaden. Wanneer de temperatuur tijdens het composteren hoog genoeg wordt, zullen deze ongewenste organismen het niet overleven. Overigens is ook bij lagere temperaturen de overleving van deze organismen niet volledig, omdat ze in de concurrentie met andere organismen vaak het loodje leggen

Nadelen van composteren en compostgebruik

  • Er is plaats voor nodig: om het goed te doen algauw 3 tot 5 vierkante meter voor de compost zelf, en dan nog voor de eventuele wachthopen, de toegang en de verwerking
  • Het lijkt in het begin nogal gecompliceerd en vraagt tijd om met de materie vertrouwd te raken
  • De eerste opzet is nogal wat werk
  • Afhankelijk van gemaakte keuzes kunnen er kosten mee gemoeid zijn: bouwmaterialen, containers, compostpreparaten, gesteentemelen en andere aangekochte ingrediënten
  • Met onvoldoende tijd en aandacht zullen de resultaten tegenvallen; het vraagt toewijding. Maar de geïnvesteerde tijd, geld en moeite haal je er zeker uit, doorgaans al binnen een teeltjaar. Het zijn vooral de opzet en de voorbereiding. Is het eenmaal ingepast in de routines, dan is daarna het af en toe omzetten eigenlijk het enige extra werk.
  • Ook goed gemaakte compost zal, wanneer er zaaddragend onkruid in verwerkt werd, niet volledig vrij zijn van kiemkrachtige (on)kruidzaden. Het is niet reëel om te verwachten dat je 100% succesvol zult zijn in het onschadelijk maken van alle (on)kruidzaden. Ik heb bijv. wel gehad dat in mijn compost een lading tomatenzaad kiemde.  Deze kiemen zijn in de losse structuur van de compost makkelijk te verwijderen, maar je zult wiedwerk dus niet volledig kunnen uitsluiten.

Het houdt nogal wat in allemaal. Maar de geïnvesteerde tijd, geld en moeite haal je er zeker uit, doorgaans al binnen een teeltjaar. Het zijn vooral de opzet en de voorbereiding. Is het eenmaal ingepast in de routines, dan is daarna het af en toe omzetten eigenlijk het enige extra werk.

Kwaliteiten
Compost, zowel gekochte als zelfgemaakte, heb je in diverse kwaliteiten; slecht, matig, goed, heel goed en uitstekend. En wat het meest bepalend is voor de kwaliteit is: aandacht. Aandacht voor de samenstelling, de grootte van de ingrediënten, vochtigheid en temperatuur. Dus kennis van het proces en aandacht voor het verloop bepalen (zoals met alles) de uiteindelijke kwaliteit. Alles gewoon op een hoop blijven gooien en er maar het beste van hopen zal nooit tot de beste resultaten leiden. Maar nu je gewapend bent met de benodigde kennis is dat ook niet meer nodig. 🙂

Tenslotte
Besef dat elke partij compost uniek is in samenstelling en opbouw, en onder verschillende omstandigheden wordt gemaakt. Het gevolg hiervan is uiteraard dat de doorlooptijd zal verschillen en ook dat het resulterende product ook altijd anders zal zijn in uiterlijk, structuur en voedingswaarde.

Maar het zal helpen de tuinkringloop te sluiten en altijd een wezenlijke verrijking van de bodem zijn, door het bodemleven te voeden met voorbereid organisch materiaal wat daardoor het humuscomplex zal uitbreiden en onze planten betere groeiomstandigheden zal bieden.

Het is echt alle moeite dubbel en dwars waard. Het wordt niet voor niets “het zwarte goud van de tuinder” genoemd.

Bronnen:

How to create a new vegetable garden – Charles Dowding, Green Books, 2015

Waarom de C-N verhouding belangrijk is bij mulchen, composteren en bemesten – Anne Marie van Dam, Bodemdienst van Dam, 2015

Organic gardening, the natural no-dig way – Charles Dowding, Green Books, 2014

Composting – Bob Flowerdew, Skyhorse publishing, 2012

Gaia’s Garden, a guide to homescale permaculture – Toby Hemenway, Chelsea green publishing co, 2009

Practische aspecten van compostering – Ruud Hendriks, Terrestris, 2005

Liquid Gold: The Lore and Logic of Using Urine to Grow Plants – Carol Steinfeld, Green Books, 2004

Bob Flowerdew’s Organic Bible, Succesful gardening the natural way, Kyle Cathie, 2003

The Rodale Book of Composting, New, revised edition – Deborah L. Martin and Grace Gershuny, Rodale Press, 1992

Artikel: Jan Altink